Nog voordat professor Ferdinand Porsche medio 1947 uit krijgsgevangenschap werd vrijgelaten, was zijn zoon Ferry al samen met zijn medewerkers begonnen met de bouw van de sportwagen 356. Het 'Project 356' had een buizenframe en een aluminium carrosserie. Met zijn aerodynamische lijnen deed de auto denken aan de racewagens van Berlijn-Rome. De eerste mechanische aggregaten waren afkomstig van de KdF, alias Volkswagen. Het prototype, dat op 8 juni 1948 werd voltooid, had dus een 1.131 cc viercilinder boxermotor. Ondanks zijn relatief bescheiden vermogen van 40 pk bij 4.000 tpm haalde hij al een snelheid van 130 km/u. Het meest opvallende was dat het hier om een auto met middenmotor ging. De serie-Porsche's hadden echter een achterin geplaatste motor en een zelfdragende carrosserie.
Na al twee series, vijf carrosserievarianten en zeven motorversies presenteerde Porsche in 1959 de 356 B. Het model B onderscheidde zich uiterlijk door hoger geplaatste koplampen en bumpers, een gewijzigde gordellijn en kleinere details. Het topmodel van deze serie was aanvankelijk de 356 B Super 90. Met zijn 90 pk haalde deze bijna de prestaties van de 356 A Carrera 1500 GS. Natuurlijk verscheen er al snel weer een Carrera. Nu met een 1,6-liter motor en 105 pk resp. 115 pk, die pas in 1963 werd overtroffen door de Carrera 2 met een 2,0-liter motor en 130 pk.